*zelfregie
  • Afdrukken
>> Welkom op zelfregie.com / Uitwisseling van informatie, ervaringen en kennis over versterking van het zelfregulerend vermogen |

Theorie-en methodiekontwikkeling

Een reflectiekader met negen basiscompetenties
Gerard Donkers 2010

Inleiding

Zelfregulering is een reflectief, dus niet mechanisch, proces van waardegeoriënteerd handelen van individuen en groepen. Dat is een mond vol, maar in de kern heel eenvoudig. In ons gedrag streven wij immers altijd bepaalde waarden (doelen) na, bijvoorbeeld wanneer we aan het studeren zijn, naar een vriend gaan, auto rijden, een maaltijd klaarmaken of hulpverlening bieden in de rol als professional. Die waarden streven we meestal onbewust na. Ze zitten bijvoorbeeld in de verwachtingen die we van onszelf en elkaar hebben. Maar in sommige situaties streven we die waarden ook heel bewust en doelgericht na.
Als we iets nauwkeuriger naar dit intentionele, waardegeoriënteerde handelen van mensen kijken, dan zien we dat het zich altijd afspeelt in een bepaalde persoon-en-context. Als we bijvoorbeeld autorijden, dan is het verkeersyssteem de context. We besturen dan niet alleen de auto, maar ook onszelf, dat wil zeggen we stemmen ons gedrag af op wie wij (willen) zijn als persoon en op de omgeving, bijvoorbeeld de andere weggebruikers. Zelfregulering is dus de combinatie van zelf sturen en afstemmen (intern en extern). Gedrag, persoon en omgeving zijn altijd onderling met elkaar verstrengeld (zie driewereldenschema 1).

Schema 1: Wisselwerking tussen persoon, omgeving en gedrag

In dit schema kun je zien, dat gedrag, persoon en omgeving elkaar in alle handelingssituaties wederkerig beïnvloeden. Je zou het schema voor jezelf eens kunnen uitproberen.

Vanuit dit grondschema ben ik in mijn praktijkgerichte onderzoeken uiteindelijk gekomen tot negen basiscompetenties van veranderen. In schema 2 staan ze samengevat.
Ons gedrag (linker kolom in schema 2) besturen wij met onze cognitieve en metacognitieve competenties welke ook een morele oordeelsvorming bevatten.
Onze persoon (middelste kolom in schema 2) besturen we met onze intrapersoonlijke competenties welke primair van emotioneel-motivationele en biologische aard zijn.
Onze omgeving (rechter kolom in schema 2) besturen we met onze sociaal-maatschappelijke competenties waarmee we gericht zijn op interculturele, interpersoonlijke en interpositionele afstemming tussen onszelf en anderen.
Al dit handelen is structureel ingebed in natuurlijke en maatschappelijke systemen.

 

Schema 2: Basisprocessen van veranderen

Cognitief

Intrapersoonlijk

Sociaal

1. Situaties en eigen invloed daarin adequaat inschatten

 

4. Erkennen van gevoelens en behoeften

7. Interculturele communicatie

2. Reflectie op de doelrichting in het handelen

 

5. Verstand, gevoel en gedrag op elkaar afstemmen

8. Interpersoonlijke communicatie

3. Doelmatig handelen

6. Rollengedrag afstemmen op persoon

 

9. Structuur- en positiebeïnvloeding

Ik loop nu kort elk van deze negen basiscompetenties door. De theoretische inbedding en verantwoording laat ik achterwege. In mijn boek Zelfregie terug in het werk. Een inspirerend concept van professionaliteit en organisatieontwikkeling (SWP Publicaties 2015) wordt alles uitgebreider en diepgaander besproken.

Cognitieve verandercompetenties

Bij de eerste drie basiscompetenties gaat het over de manier waarop wij met ons brein informatie uit onszelf en onze omgeving opnemen en verwerken en in staat zijn om goede beslissingen te nemen in het licht van de doelen of waarden die we nastreven. De drie uit de genoemde praktijkgerichte onderzoeken naar voren gekomen basiscompetenties zijn:
* situaties en eigen invloedsmogelijkheden daarin adequaat inschatten
* reflectie op de doelrichting in het handelen: een dialoog over waarden
* doematig handelen: openheid en flexibiliteit in de strategie

1. Situaties en eigen invloedsmogelijkheden daarin adequaat inschatten

Elk verandertraject van een individu, een groep of een organisatie staat of valt met het goed inschatten van de situatie en de eigen invloedsmogelijkheden daarin. Het gaat hier om vragen als:
- Hoe verklaren wij de situaties die we op het werk, thuis en elders meemaken en ons eigen gedrag daarin?
- In hoeverre schrijven we ons gedrag in die situaties toe aan invloeden vanuit de omgeving, bijvoorbeeld opvoeding, vrienden, werksituatie en overheid? Zijn die omgevingsfactoren die in onze ogen veranderbaar zijn of liggen die onwrikbaar vast?
- En wat schrijven we toe aan onze eigen invloed en verantwoordelijkheid? Overschatten we mogelijk onze eigen invloedsmogelijkheden in bepaalde situaties of hebben we juist de neiging om die eigen invloed te onderschatten? In de beide gevallen zal het gebrek aan zelfkennis de doelmatigheid van ons handelen (zie de derde competentie) verminderen.

Van belang is hier om te leren denken in verhoudingen. Niet alle schuld aan jezelf of de ander geven, maar ook niet alle schuld op de omgeving schuiven. Mensen aanspreken op hun verantwoordelijkheid, maar dan zonder persoonlijk te beschuldigen. De vele invloeden vanuit de omgeving spelen altijd ook een sterk bepalende rol. Het gaat steeds om de wisselwerking tussen subject en object. In die wisselwerking moet je leren denken. Dat is niet gemakkelijk.

2. Reflectie op de doelrichting in het handelen

Het inschatten van eigen invloedsmogelijkheden voltrekt zich natuurlijk niet in een vacuüm. Dat doen we met het oog op het willen realiseren van bepaalde doelen, waarden of intenties. Meestal zijn we ons, zoals gezegd, niet bewust van de eigen doelen die in ons gedrag zitten. Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn, totdat we merken dat we niet bereiken wat we zouden willen of dat we niet meer weten welke kant we op moeten. Op dat moment is het belangrijk ons af te vragen wat onze referentiewaarden van gedrag eigenlijk zijn.
Stel bijvoorbeeld dat we ruzie met iemand hebben. Wat willen we in die situatie dan, bewust of misschien onbewust, bij onszelf of bij de ander bereiken en welke waarden zijn daarbij in het geding?
Bij belangrijke gebeurtenissen in ons leven, geboorte van kind, wisseling van school of werk, een nieuwe relatie, overlijden of ziekte, of in ingewikkelde keuzesituaties kan het nodig zijn om eens uitdrukkelijk stil te staan bij de doelen en waarden die wij in ons leven willen realiseren.
Bij het maken van een goede keuze voor een doelrichting speelt intuïtie in het dagelijks handelen ook een belangrijke rol. Van centraal belang is ook, dat we een gekozen doelrichting niet alleen goed afstemmen op ons eigen lichaam en onze eigen gevoelens en behoeften, maar ook op de natuurlijke en maatschappelijke omgeving. Dat is soms een hele klus. We kunnen daarvoor steun zoeken in de omgeving in de vorm van informatie, onderwijs of andere vorm van hulp en ondersteuning.

3. Doelmatig handelen

Het reflecteren op de doelrichting in ons handelen doen we natuurlijk niet om niets. We willen die doelen, ons ideaal en verlangen, natuurlijk ook daadwerkelijk realiseren. We willen bijvoorbeeld ons diploma halen of op een waardige manier een ziekte dragen. Maar hoe pakken we dat aan?
- Hoe bereiden we ons mentaal en praktisch voor op onze acties?
- Welke strategie hanteren we bewust of onbewust?
- Houden we ons doel tijdens de actie goed in de gaten?
- Geven we het niet te snel op na een eerste mislukking?
- Worden we mogelijk gehinderd door allerlei gedachten en gevoelens die ons belemmeren in het uitvoeren van de opdracht?
- Hebben we voldoende een gevoel van zelfbekwaamheid?
- Geven we onszelf voldoende beloningen voor succesjes die we behalen of vinden we die succesjes maar vanzelfsprekend?
- Slagen we erin onze doelen te bereiken en hoe kijken we daar dan op terug?
- Hoe verklaren we het, als het ons wel of niet is gelukt? Aan welke factoren schrijven we succes of mislukking toe (zie basiscompetentie 1).

Doelmatig handelen betekent niet: blind en rechtlijnig op ons doel afgaan. Het vraagt veeleer om flexibiliteit en creativiteit: de soms kronkelige wegen bewandelen in de richting van een zelfgesteld doel waarbij we zowel zorg blijven dragen voor een goede interne afstemming op de binnenwereld van onszelf en anderen als voor een goede maatschappelijke afstemming op gebied van cultuur, personen en posities. Op basis van regelmatige terugkoppeling (feedback) kunnen we proberen de best mogelijke weg naar ons doel te bewandelen: dat is doelmatig handelen. Een ideale weg bestaat niet.

Intrapersoonlijke basiscompetenties van veranderen

Tegelijk met de cognitieve handelingsoperaties spelen zich in de binnenwereld van personen allerlei lichamelijke, emotionele en motivationele processen af die eveneens belangrijk voor het realiseren van onze doelen of waarden. Als we naar ons ‘zelf' verwijzen, dan doelen we vaak op heel verschillende aspecten. We kunnen verwijzen naar ons rationeel zelf, ons affectief zelf, ons lichamelijk zelf, ons onbewust zelf, ons spiritueel of religieus zelf of ons maatschappelijk zelf in de vorm van allerlei verschillende rollen die we thuis en in de samenleving vervullen. Onze innerlijke ervaringswereld is de plek waar al deze en andere zelfaspecten met elkaar interacteren. Zij kunnen ons doelgerichte handelen bevorderen, maar ook verstoren. Besturen van dit veelvoudige zelf is een continu proces van scheiden en verbinden van zelfdelen, van sturen en afstemmen.

In de praktijkgerichte onderzoeken zijn drie basiscompetenties hierbij naar voren gekomen:
* erkennen van gevoelens en behoeften: ontwikkeling van een warme organisatie
* Aandacht voor de gehele persoon in zijn maatschappelijk functioneren
* rollengedrag afstemmen op persoon: ontwikkeling van een sociale identiteit

4. Erkennen van gevoelens en behoeften

Gevoelens en behoeften spelen een belangrijke rol in de manier waarop wij in het alledaagse leven omgaan met situaties. Emoties, stemmingen en behoeften zeggen iets over het belang van een bepaald doel voor mensen. Ze kunnen zowel in positieve als in negatieve zin ons denken en handelen beïnvloeden. Ze informeren ons bijvoorbeeld of we wel op de goede weg zitten bij het realiseren van onze doelen. Als er vooruitgang wordt geboekt in de richting van een zelfgesteld doel, dan voelen we ons competent en belonen we onszelf. Lukt het niet onze doelen te realiseren, dan kunnen negatieve gevoelens van incompetentie, onzekerheid, boosheid, schaamte of depressie gaan overheersen. Door ons goed af te stemmen op de gevoelens, stemmingen, behoeften en sensaties in ons lichaam, kunnen we beter leren ze te controleren en in een wenselijk geachte richting te beïnvloeden. De vraag is hoeveel aandacht hiervoor is binnen organisatie en samenleving.

5. Aandacht voor de gehele persoon in zijn maatschappelijk functioneren

Maar gevoelens en behoeften erkennen is niet voldoende voor intrapersoonlijke afstemming. De vraag is ook hoe deze gevoelens en behoeften zich verhouden tot onze opvattingen (verstand) en tot wat wij in ons uiterlijk gedrag naar buiten toe laten zien. Vaak liggen er allerlei tegenstellingen en tegenstrijdigheden tussen wat we denken en wat we doen en tussen ons gedrag (buitenkant) en onze ervaring (binnenkant): iemand zegt het met ons eens te zijn, maar iedere vorm van emotie daarbij ontbreekt; mensen doen aardig, maar lijken tegelijkertijd boos; men doet zich sterker voor dan men zich van binnen voelt, want men wil zich niet laten kennen. 
De vraag is of we ons als individu, als team of als organisatie voldoende van deze tegenstrijdigheden bewust zijn. Voor een goed sociaal functioneren is het belangrijk dat onze verstandelijke opvattingen, gevoelens en gedragingen wederkerig goed op elkaar zijn afgestemd. Dit betekent dat het verstand ons niet mag overheersen evenmin als onze emoties. Te weinig zelfcontrole belemmert de zelfsturing, maar te veel aan zelfcontrole kan ons ook verlammen, uitputten en stuurloos maken.

De ontwikkeling van een krachtige sociale identiteit veronderstelt dat we alle delen van ons zelf als individu en als organisatie in principe spreekrecht geven. Dit betekent dat we elk zelfdeel erkennen als een kenmerkend deel van onszelf, maar tegelijkertijd beseffen dat dit deel niet onze hele-persoon-in-alle-situaties omvat. Stel dat ik ‘lichamelijk gehandicapt' ben, dan is dat weliswaar een deel van mij dat ik niet mag ontkennen, maar ik ben niet met mijn hele persoon ‘gehandicapt'. Veel mensen doen dan alsof je hele persoon gehandicapt is.

6. Rollengedrag afstemmen op persoon

Maar onze rede, ons lichaam, gevoel en gedrag staan niet op zichzelf. De identiteit van een individu of een groep omvat meer dan haar psychologische en biologische zelven. Mensen zijn ook sociologische wezens. We vervullen als individu en als groep in de samenleving allerlei verschillende maatschappelijke rollen: een professioneel team, vader, moeder, kind, werknemer, allochtoon, buurtbewoner, partner, student, burger, consument et cetera. Soms voelen individuen en groepen zich verscheurd en geklemd zitten tussen de verschillende maatschappelijke rollen en de verschillende verwachtingen die daarmee samenhangen. Denk bijvoorbeeld aan problemen op het werk die ook gaan doordringen tot in de slaapkamer en het leven thuis ondraaglijk maken. De vraag is of ons gedrag in die verschillende rollen goed is afgestemd op onze gevoelens en behoeften.
- Is er mogelijk sprake van te weinig roldistantie en vereenzelvigen we onszelf te veel met één bepaalde maatschappelijke rol zodat we er ons in verliezen?
- Of scheiden we mogelijk de verschillende rollen zo sterk van elkaar dat we ons in beide niet meer thuisvoelen?

Het gaat bij dit basisproces van veranderen om de ontwikkeling van een sociale identiteit, om het functioneren in maatschappelijke rollen waarin mensen ‘zichzelf kunnen zijn'.

Basiscompetenties van maatschappelijk verantwoord handelen

Er ontbreekt nu nog een belangrijke schakel in het hele proces van veranderen: ons gedrag is immers van meet af aan ingebed in een sociaal-maatschappelijke en natuurlijke context. Door die culturele, sociale, economische en politieke context wordt ons gedrag sterk bepaald. Het lijkt soms alsof het gedrag van een individu of een organisatie helemaal achter hun rug om wordt geregeld door mechanismen waar ze zelf geen enkele invloed op hebben. Toch worden we niet alleen door die omgeving bepaald; als individu en als collectief beïnvloeden we op onze beurt ook weer die omgeving en proberen die naar onze hand te zetten. Opnieuw gaat het hier dus om een wederkerig beïnvloedingsproces, om het regelen van een goede afstemming tussen onszelf en de omgeving, om sturen maar vooral ook om afstemmen.

Drie basiscompetenties zijn uit de praktijkgerichte onderzoeken naar voren gekomen:
* interculturele handelingscompetenties
* interpersoonlijke handelingscompetenties
* structuur- en positiebeïnvloeding

7. Interculturele handelingscompetenties

Bij zelfregulering proberen we als individu en als collectief onze eigen doelen of waarden te realiseren. Hoewel we dat vaak niet beseffen, zijn we steeds bezig met cultuurvorming. Cultuur is immers niet een systeem van opvattingen van een bepaalde groepering dat voor eens en altijd vastligt. Als je zo statisch over cultuur denkt, ga je te veel uit van een standaardmens: bijvoorbeeld dit is een Marokkaan en daardoor is hij zus of zo.
Cultuur is een dynamisch verschijnsel. Zij wordt door mensen in hun omgang met elkaar voortdurend geconstrueerd en gereconstrueerd. Mensen zijn cultuurscheppende wezens. En dat geldt niet alleen voor jou, maar ook voor andere mensen. En die hebben vanuit hun eigen maatschappelijke achtergrond soms heel verschillende waarden, normen en gebruiken. De vraag is dan hoe bekwaam wij zijn in het omgaan met deze cultuurverschillen.

Ook hier gaat het weer om sturen en afstemmen: opkomen voor je eigen waardeopvattingen, maar tegelijkertijd ook rekening houden met en je afstemmen op die van de ander.

8. Interpersoonlijke handelingscompetenties

Maar mensen staan niet alleen met elkaar in contact op het gebied van cultuur, waarden, normen en gebruiken. Ze gaan als geheel persoon betrekkingen met elkaar aan. De hele persoon van jouzelf en de ander, met al zijn gevoelens, behoeften, rollen en eigenschappen, is bij interpersoonlijke communicatie in het geding.
Interne tegenstrijdigheden tussen verstand, gevoel en gedrag (basisproces 5) zullen op de interpersoonlijke communicatie dan ook snel verstorend werken. Als individuen of groepen bijvoorbeeld naar buiten toe zichzelf stoerder voordoen dan ze zich van binnen voelen, dan reageren de anderen wellicht op die buitenkant en voelen de betrokkenen zich misschien door hun omgeving niet echt begrepen.
De vraag is ook of we op dit sociaal-emotioneel gebied in staat zijn om goed op te komen voor onszelf en tegelijkertijd ons subtiel af te stemmen op de ander. Zijn we in relaties tot anderen in staat:

(a) onze eigen koers te volgen en ons niet te afhankelijk van de omgeving op te stellen (norm van zelf sturing)
(b) te handelen in overeenstemming met onze eigen gevoelens en behoeften, ook onze behoefte aan aanhankelijkheid van de ander (normen van interne afstemming)
(c) wederkerig zorg voor onszelf en voor de ander te dragen (normen van intermenselijke afstemming).

In de interpersoonlijke communicaties zijn mensen continu op zoek naar een voor hen bevredigende balans tussen autonomie en verbondenheid.

9. Structuur- en positiebeïnvloeding

Een verhouding tussen mensen is meer dan een uitwisselingsproces op mentaal niveau. Het is niet alleen ‘iets psychisch', iets dat zich tussen geheel vrije personen afspeelt. Elke menselijke verhouding is ingebed in ruimtelijke, ecologische, economische, sociale, institutionele en politieke structuren, waarbinnen mensen een bepaalde positie innemen en die zij op hun beurt weer proberen te beïnvloeden. Binnen voorgegeven structurele kaders voltrekt zich het menselijk handelen van individuen en groepen. Een goede afstemming op deze structurele kaders is noodzakelijk voor adequate zelfsturing.

Binnen de structuren van de nationale en internationale samenleving nemen mensen posities in. Als we spreken van een materiële positie, dan hebben we het over de feitelijke plaats die mensen innemen in de materiële verhoudingen van de samenleving en op verschillen in de mate waarin zij in materieel opzicht van elkaar afhankelijk zijn, bijvoorbeeld in internationale verhoudingen. Het gaat hier om de ‘ding'-matige aspecten waarop de verhoudingen tussen bijvoorbeeld autochtoon en allochtoon, werkgever en werknemer, man en vrouw, cliënt en instelling, ouders en kinderen worden bekeken. Naast materiële posities spreken we van sociale en politieke posities. In het kader van zelfregulering zijn met name ook de macht- en invloedspositie van individuen en groepen in de samenleving relevant.
De gerichtheid op versterking van deze invloedspositie kunnen we het politiserend aspect van veranderen noemen.

Tot slot

Het zelfbesturingssysteem van individuen en collectieven is een uiterst complex geheel van talrijke zelfregulatoire processen, en wel op cognitief, emotioneel-motivationeel en sociaal-maatschappelijk gebied. Het coördineren van dit geheel van zelfregulatoire processen is de kern van zelfregulering. Dit coördineren omvat zowel sturen als 'loslaten' en afstemmen. Het gaat om de combinatie van interventie en presentie.
De hier gepresenteerde open veranderkundige benadering vraagt van burgers en professionals om aan te sluiten bij hedendaagse pogingen om het dualistische denken in termen van of-of te overwinnen. Tegenover dit zwart-wit denken in termen van of-of moet niet slechts een verbindend denken in termen van en-en worden gezet, alsof de tegenpolen elkaar altijd simpelweg zouden aanvullen. Al de genoemde tegenpolen in het zelfbesturingssysteem van mensen kunnen sterk op elkaar botsen, maar die botsingen zijn nodig om nieuwe handelingsperspectieven te kunnen openen.

Gerard Donkers


Copyright © 2007-2017 Zelfregie.com | Development by Ligon IT Development